Geschiedenis en verhalen
1540
De watermolen in het Wattertal wordt voor het eerst officieel genoemt. De eerste, van intussen drie watermolens, brandt in 1716 af.
1717
Vorst Friedrich Anton Ulrich zu Waldeck (1676-1728), die in 1711 in de adelstand werd verheven, is intensief bezig met de bouw van zijn prachtige kasteel in Arolsen, dat uiteindelijk in 1728 klaar is en het begin was voor het ontstaan van een nieuwe stad. Prachtige plafondversieringen en -schilderingen, tapisserieen uit Amsterdam, busten van italiaans marmer moesten ontworpen, bestelt en betaald worden en de bedrijvigheid bij de bouw geeft werk aan vele dagloners, handelaren en handwerkers uit Waldeckischen.
Nauwelijks is er tijd voor de angename dingen van het leven. Maar dit jaar is zijn geluksjaar: De graaf zu Waldeck wordt dit jaar van de duitse keizer Karl VI tot vorst gekroond waardoor zijn land tot een vorstendom verheven wordt. Of om de groeiende bevolking beter te kunnen verzorgen, want hongersnood is nummer één op het programma, of om een nieuwe, al is het nog zo'n kleine, verdere inkomstenbron, of om de bouw van het barokslot te kunnen betalen, laat de vorst een korenmolen ontstaan, in het liefelijke Wattental, niet ver van de trotse stad Freienhagen.
1780
De pachter van de molen zit in de laatste zonnenstralen, die nauwelijks deze heldere koude dag kunnen verwarmen. Het molenwiel klappert en zijn dagtaak is volbracht, als de eigenaar de geur van brandend vlees ruikt. Nauwelijks te overzien tegen het licht van de ondergaande zon, stijgen dikke zwarte rookwolken op aan de horizon, als net zijn zoon, buiten adem, de twee kilometer totaan de molen voor zijn leven gerent heeft, aankomt en schreeuwt: „Brand, brand, iedereen kom snel met je wagen en breng alles mee wat je hebt aan emmers, schotels en slangen!“
Waar het drama precies begon, weet niemand meer zeker, was het in de smederij waar een brandende spaan door de wind in de, per ongeluk opengelaten, voorraadkamer waaide en daar de opgeslagen spullen aanstak? Was het de oude knecht, benevelt van zijn tabakspijp en te veel wijn, die wegdommelde, met het vuur van zijn pijp het stro aanstak, dat tegen de kou de stenen bodem bedekte? Nu was het te laat. De brand haalde alles wat er te halen viel in de nauwe steegjes van Freienhagen, deze vroeger zo belangrijke stad, waarin Frankfurters en Keulse ridderordes zich ontmoeten. Bijna alle 46 woonhuizen branden af en het zou generaties duren, voordat de laatste wonden geheeld zijn.
1832
Toendertijd hoofdburgt en residentieslot van het in de dertiende eeuw gevestigde Grafschap Waldeck, werd in de tijd van 1734 tot 1866 het slot als gevangenis en tuchthuis gebruikt.
De molenaar van Wattertal Beschreef de situatie, na een bezoek, als volgt:
„Zodra men de trappen omhoog geklommen had en voor het hek stond, om de menselijke wrakken te zien, komt je zo'n vreselijke bedompte stank tegemoet, dat je je neus dichtknijpen moet. In een cel zaten 48 gevangenen, oude en jonge, mannen en vrouwen. Hier sponnen ze wol, aten ze en sliepen een aantal, in ieder geval de vrouwen, op half verrotte stro, en hier moesten ze ook hun behoefte doen.
Een onverdraaglijke stank had zich door de hele ruimte verspreid, de vloer was vervuild en de muren zwart en verschimmeld. Hier kan men het niet lang uithouden. Noch treuriger waren de ruimtes, waar de mannen op de vochtige bodem van aarde de nacht probeerden slapend door te brengen. Vaak waren ze wakker door het vele ongedierte. Hier verbleven ook de ongelukkigen als ze ziek waren -en dat gebeurde vaak- en het was geen zeldenheid, dat ze de dood daarom verwelkomden. Ze begingen ook regelmatig zelfmoord. Levensmoeheid en vertwijfeling dwongen hun daartoe. Vooral ook omdat de manier waarop ze gevangen gehouden werden, de misdaad die ze begaan hadden vaak weerspiegelde en vaak niet menselijk was. Maar zo was het vast overal in de tuchthuizen in het eerste tweederde deel van deze eeuw“.
Leven in de gevangenis rond 1750, tentoongestelt in Schloss Waldeck
1943
16 mei 1943 was een rustige dag rond de molen Freienhagen. Het vierde oorlogsjaar bracht ellende en honger, maar in de molen was men ver weg van de oorlogshandelingen en honger had men daar ook niet. Het was moederdag en het bloeide zo mooi. De volgende dag zou alles anders zijn. Uit de idylle was een inferno ontstaan.
's Nacht werd de molenaar ruw uit zijn slaap gehaald. „Ze vlogen zo dicht over ons huis, dat het alleen al van het vliegtuiggeluid trilde“. Met doel de Edersee in een duikvlucht van maar 30 meter over Wattertal, hadden de drie Lancaster-bommenwerpers hun dodelijke last laten vallen. Even later hoorde Karl Bergmann in Hemfurth een bedompte, sterke inslag, daarna een donderen, brommen en trillen „zoals bij een aardbeving“. De bommen vernietigde de dam van de Edersee. Heinrich Meister uit Bergheim: „Ik was in Alt-Wildungen op weg naar huis. Daar moest ik mijn hoofd intrekken, anders had de bommenwerper hem afgekapt.
Door een 70 meter breed en 22 meter diep gat liep 160 miljoen kubikemeter water in het dal. De geweldige kracht van het water veranderde het dal van de Eder en Fulda in een catastrofe-landschap. 47 mensen werden door de vloedgolf gedood.
De vernietigde Ederdam 1943